Het belang van de spiervezel-samenstelling bij het selecteren van fondkwekers
Een topsporter bouw je niet met training alleen, je bouwt hem in de kwekerij. Bij duiven gaat dat over bloedlijnen, type, karakter en… spieren. Spiervezels.
Misschien klinkt het technisch, maar het is het simpelste verhaal dat er is: de juiste spiermix wint op de fond. De verkeerde haalt de eindstreep niet. Je selecteert niet zomaar een doffer en een duivin die er goed uitzien; je selecteert op wat er onder dat verenpak zit. Dat is het verschil tussen een mooi duifje en een echte vliegmachine.
Wat bedoelen we precies met spiervezel-samenstelling?
Stel je een marathonloper en een sprinter voor. Die gebruiken hun spieren totaal anders.
De marathonloper heeft uithoudingsvermogen, de sprinter explosieve kracht. Bij duiven is het net zo.
Hun spieren bestaan uit twee hoofdtypes: snelle spiervezels (Type IIb) en trage spiervezels (Type I). Snelle spiervezels zijn voor korte, heftige inspanningen. Ze zijn wit en branden suikers. Ideaal voor de sprint, maar ze zijn heel snel moe.
Trage spiervezels zijn rood, zuurstofrijk en kunnen urenlang constant werken. Ze zijn gemaakt voor duurwerk.
De verhouding tussen die twee bepaalt of jouw duif overleeft op de fond of dat hij na een paar uur al leeg is. In de praktijk gaat het dus om de verhouding: hoeveel procent van de spier is van het type dat goed is voor urenlang vliegen? Een fondkweker wil geen sprinter.
Hij wil een machine die zuinig omgaat met energie en lang kan doorgaan. Die verhouding is grotendeels erfelijk bepaald.
Je kunt een duif met veel snelle vezels trainen wat je wilt, je maakt er geen marathonloper van.
Daarom is selecteren op spiervezel-samenstelling zo cruciaal.
Waarom dit de basis is van elke goede fondkwekerij
Je kunt de beste voeding geven (Pigeon HP van Versele-Laga, €15-€20 per 20 kg), de beste hokken bouwen en de beste medicijnen gebruiken. Maar als je duivenfundamenteel de verkeerde spiermix hebben, win je niks.
Op de fond draait het om uithoudingsvermogen en herstel. Een duif die na een zware vlucht twee dagen nodig heeft om bij te komen, mist de juiste spiervezels. Een duif die na een dag alweer fit is, heeft die vezels wél.
Een duif met veel trage spiervezels kan langer op een hoger tempo blijven vliegen.
Hij raakt niet oververhit en bouwt geen melkzuur op. Die duif kan twee keer per week vliegen en komt elke keer fris binnen. Een duif met te veel snelle vezels sprint misschien hard weg, maar zakt na een paar uur in en verliest de concentratie. Die duif verdwaalt of komt vermoeid binnen en is de volgende week niet in staat om op niveau te presteren.
Het is dus pure economie. Je investeert in dure weduwschap supplements (€10-€15 per potje), maar als je fokt met de verkeerde basis, gooi je geld weg.
Selecteren op spiervezels is de meest rendabele investering die je kunt doen. Het bespaart je teleurstellingen, dure medicijnen en energie. Je bouwt een hok dat van nature sterk is.
Denk ook aan de vluchten zelf. De moderne fondvlucht is zwaarder dan vroeger.
De duiven zitten langer in de mand, de afstanden zijn groter en de concurrentie is harder. Alleen de meest efficiënte spieren overleven dat. Je ziet het aan de uitslagen: duiven die constant toppen op de overnacht- en dagfond hebben stuk voor stuk een spierstructuur die gericht is op duurvermogen.
Hoe je de spiervezels herkent en selecteert
Het begint bij de aanraking. Pak een duif en voel.
De spieren moeten soepel en sterk aanvoelen, niet hard en gespannen. Vooral de borstspieren (het kielbeen) zijn belangrijk. Je wilt een brede, diepe borstspier die niet te strak zit.
Een te strakke spier duidt op te veel snelle vezels. De spier moet veerkrachtig aanvoelen, alsof hij energie opslaat.
Kijk naar de kleur van de spier. Als je een duif openmaakt (bijvoorbeeld na een testvlucht of een ongeluk), kijk dan naar de kleur van de borstspier. Donkerrood tot bijna paars is goed; dat duidt op veel rode, trage vezels. Lichtroze of witte spieren zijn een waarschuwing.
Die zijn van het type dat snel vermoeid raakt. Dit is een van de redenen waarom topkwekers duiven soms moeten 'sacrificen' voor onderzoek.
Let op het gewicht en de vorm. Fondkwekers mogen best wat zwaarder zijn dan sprintduiven, maar ze moeten compacter zijn. Een zware duif met een losse spier is niks.
Een zware duif met een harde, compacte spier is een kanon. De spier moet strak op het bot zitten, niet los bewegen.
Je voelt het verschil direct. Gebruik ook de testvlucht. De klassieker: een vlucht van 300-400 km.
De duiven die 's avonds laat thuiskomen, vermoeid maar niet gesloopt, en de volgende dag alweer actief zijn, hebben de juiste spieren. De duiven die pas de volgende ochtend thuiskomen of er futloos bijzitten, zijn af.
Doe dit met een groep jonge duiven. Zij die na een dergelijke inspanning snel herstellen, zijn je toekomstige fondkwekers, vaak beïnvloed door de topkwaliteit van Gouden Duif winnaars.
Modellen en bloedlijnen: voorbeelden uit de praktijk
Er zijn bepaalde bloedlijnen die van nature die goede spierstructuur hebben, zoals de Bart Geerinckx bloedlijnen voor kracht. Denk ook aan de lijnen van de 'Kleinen Dirk' of de 'Wittenbuik'.
Deze duiven staan bekend om hun compacte bouw, donkere spierkleur en enorm uithoudingsvermogen. Ze zijn niet de allersnelste op de sprint, maar ze zijn onverslaanbaar op de lange afstand. Als je zulke duiven in je kweekhok hebt, ben je al een eind op weg.
Een ander model is de 'Rode van Langerode' of duiven uit de lijnen van 'Oude Witbuik'.
Deze zijn vaak iets langer in de bouw, maar hebben eveneens die typische diepe, donkere spier. Ze zijn wat rustiger van karakter en bouwen hun kracht langzaam op. Ze zijn ideaal voor de dagfond en overnacht.
Je betaalt voor jongen uit deze lijnen vaak tussen de €150 en €500 per stuk, afhankelijk van de prestaties van de ouders. Wat je absoluut moet vermijden, zijn duiven die te 'sprint' gebouwd zijn.
Dat zijn vaak slanke, lichte duiven met een smalle borst en een zeer snelle vleugelslag.
Die doen het fantastisch op de natour of de sprint, maar zetten ze op de fond en je krijgt ze niet meer terug. Ze zijn vaak te nerveus en verbranden hun energie te snel. Je herkent ze aan hun lichte spierkleur en een te hoge hartslag. Prijsindicatie: Een jonge duif uit bewezen fondlijnen (met spiervezelgarantie) kost al snel €75 tot €200.
Topkwekers, bijvoorbeeld een doffer die zelf 1e NPO won en bewezen donkere spieren heeft, kan €500 tot €1500 kosten. Dat lijkt veel, maar als hij jou 5 topduiven oplevert die €2000 per stuk waard zijn, verdien je het terug. De investering in de juiste spierstructuur betaalt zich uit.
Praktische tips: Zo pas je het toe in je kweek
1. Durf te selecteren: Zodra je jonge duiven hun verenkleed volledig hebben, ga je voelen. Pak elke duif. Voel de borst. Is de spier hard, gespannen en licht van kleur?
Dan is het geen fondmateriaal. Zit er veerkracht in en is de kleur donker? Houd die erin. Wees streng.
Houd misschien maar 20% van je jonge aan. 2.
Koppel slim: Koppel nooit twee duiven met alleen maar snelle spieren. Je krijgt dan sprinters. Koppel een duif met goede spierstructuur (donkere spier, veerkrachtig) aan een duif met bewezen fondprestaties.
Het beste is om een doffer met topspieren te koppelen aan een duivin die zelf goed heeft gevlogen, waarbij je ook kijkt naar het belang van de vleugeltheorie.
Zo combineer je eigenschappen. 3. Test ze op 300-400 km: Dit is jouw filter. Laat de jonge duiven een keer of drie vliegen op deze afstand.
Doe dit voor het koppelen. De duiven die na zo'n vlucht meteen weer manen (poepen) en actief zijn, zijn je kwekers voor volgend jaar. Degenen die futloos zijn, mogen verkocht worden.
4. Voer voor spierkracht: Als je duiven eenmaal de juiste spieren hebben, moet je ze ook de bouwstoffen geven. Gebruik een mengeling met voldoende erwten en maïs voor energ
